Inleiding
Bossen zijn hotspots voor biodiversiteit en hebben een groot potentieel om een brede waaier aan ecosysteemdiensten te leveren aan de maatschappij. Om dit potentieel waar te maken en de gewenste ecosysteemdiensten optimaal tot expressie te laten komen, is een weldoordacht bosbeheer noodzakelijk; in het bijzonder in Vlaanderen. Het Vlaamse bos heeft immers een lange voorgeschiedenis van menselijk gebruik en heeft in vele gevallen een samenstelling en structuur die niet volledig aangepast zijn aan de huidige noden van de maatschappij. Bovendien worden onze bossen en andere ecosystemen blootgesteld aan talrijke milieudrukken, gaande van stikstofdepositie, over versnippering tot klimaatverandering, en moeten ze dus voldoende gewapend worden om ook in de toekomst de nog de gewenste diensten te kunnen leveren.
Het is in deze context dat o.a. de Bosgroep Zuiderkempen de laatste twee decennia op zoek is gegaan naar beheerstrategieën voor multifunctioneel, weerbaar bos die toepasbaar zijn in de – vaak erg kleine – privé-boseigendommen waarin ze actief zijn. Bosverjonging met kloempen (zie Van Lommel & Seynaeve, 2014) is één van deze strategieën en later kwam ook het zogenaamde QD-beheer onder de aandacht. QD staat voor het Duitse ‘Qualifizeren-Dimensionieren’ en wordt in het Nederlands vertaald als ‘Kwalificeren-Dimensioneren’. Het is een bosbeheerstrategie gericht op produceren van kwaliteitshout door de aanwas te concentreren op een beperkt aantal, secuur geselecteerde toekomstbomen die na de kwalificeringsfase sterk worden vrijgesteld zodat de doeldiameters tijdens deze dimensioneringsfase zo snel als mogelijk bereikt worden (zie o.a. Buysse, 2014 en de QD-pagina’s op Ecopedia). De strategie kent een lange voorgeschiedenis, maar werd sinds de jaren 1990 voor het eerst systematisch toegepast in het Duitse Saarland (zie Wilhelm & Rieger, 2023). Nadien groeide ook elders de interesse voor QD-beheer. Na een bezoek van Bosgroep Zuiderkempen aan het Saarland werd besloten om een praktijkproef op te zetten om het potentieel van deze strategie voor onze boomsoorten en groeiplaatsen beter te kunnen inschatten. De proef werd uiteindelijk in 2014 geïnitieerd in zes verschillende bossen verspreid over de Zuiderkempen waar zowel QD-bomen als niet-vrijgestelde referentiebomen werden geselecteerd en verder opgevolgd.
Dit artikel beschrijft hoe de verschillende boomsoorten hebben gereageerd op de QD-behandeling en verkent daarnaast ook in welke mate de groei van de QD- en referentiebomen doorheen de tijd geïmpacteerd werd door de opeenvolgende droogteperiodes die sinds 2014 hebben plaatsgevonden.
Proefopzet en gegevensverzameling
De studie werd opgezet in 2013-2014 door Bosgroep Zuiderkempen, o.a. met de hulp van thesisstudente Tessa De Haes (De Haes, 2014). Zes eigenaars stelden hun bossen, verspreid over vier gemeentes in de Zuiderkempen, open voor dit onderzoek (Tabel 1). In deze bossen waren er van zes boomsoorten voldoende kwaliteitsvolle individuen aanwezig om een QD-proef op te zetten: grove den, Coriscaanse den, ruwe berk, winterlinde, zomereik en zwarte els. De bodemcondities in de bestudeerde opstanden zijn behoorlijk gunstig voor boomgroei. Op de meeste plaatsen is er een zekere bijmenging met leem in de bodem en zijn deze niet te droog (althans volgens de Bodemkaart van BelgiëHet terreinwerk voor de Bodemkaart van België werd uitgevoerd in de jaren 1950. Door sterke veranderingen in de grondwatertafel komt de toenmalige vochttoestand mogelijks niet overeen met de actuele vochttoestand. De textuur en het profiel blijven correct (mits de bodem niet vergraven werd).). Bovendien werden de meeste bossen aangeplant op voormalige landbouwgronden waardoor de beschikbaarheid van voedingsstoffen (bv. fosfor) waarschijnlijk niet limiterend is voor boomgroei. Enkel in Duifhuizen – een bos aangeplant op een voormalige zandopslagplaats – zijn de groeiplaatsomstandigheden mogelijks minder optimaal. Bij opstart van de proef varieerde de opstandsleeftijd tussen 10 en 29 jaar. Voor de meeste soorten was de opstandsleeftijd in 2013-2014 optimaal om over te gaan naar de dimensioneringsfase door vrijstelling van de bomen (Buysse, 2014). Behalve voor grove en Corsicaanse den in Duifhuizen die toen al een tiental jaar voorbij het omslagpunt waren.
In de periode 2013-2014 werden verspreid over de zes opstanden 237 bomen van de zes soorten geselecteerd, 180 QD-bomen en 57 referentiebomen (Tabel 2). Daarnaast werden er ook nog 13 extra QD-bomen van andere, occasioneel voorkomende soorten aangeduid. De totale QD-bomendichtheid varieert tussen 11 en 33 bomen per ha, wat eerder aan de lage kant is in vergelijking met bv. Buysse (2014) die tussen de 30 en 50 bomen per ha als na te streven aantal suggereert. De gekozen referentiebomen waren de ‘second best’-bomen, i.e. kwaliteitsvolle bomen maar net iets minder goed dan de QD-bomen. Dat verklaart waarom de omtrekken van de referentiebomen in 2014 een beetje, en vaak niet statistisch significant, lager zijn dan die van de QD-bomen (Tabel 2). Dit verschil in grootte mag alleszins niet genegeerd worden bij de verdere verwerking van de gegevens (zie verder).
Na selectie van de QD-bomen werd gepoogd om deze vanaf 2013-2014 systematisch vrij te stellen zodat er geen krooncontact meer was met de naburige bomen. Wanneer nodig werd deze ingreep herhaald in de loop der jaren om vrijstand van QD-bomen blijvend te bewerkstelligen. Tabel 2 toont aan dat de meeste QD-bomen in 2025 effectief vrijstaan. Enkel bij eik werd de maatregel naderhand wat getemperd en wordt er tegenwoordig naar een minder sterke vrijstand gestreefd omdat de soort daar beter op zou reageren. Tabel 2 toont ook het verschil in vrijstand aan met de referentiebomen, die in tegenstelling tot de QD-bomen meestal wel nog in meer of mindere mate krooncontact maken met hun buren. Enkel in Duifhuizen en Kamp C stonden ook de referentiebomen bij aanleg van de proef al in vrijstand waardoor het contrast met de QD-bomen er beperkt(er) is.
Vanaf januari 2014 tot en met januari 2025 werd de omtrek van de 237 bomen jaarlijks opgemeten op een vaste, gemarkeerde hoogte (1,30m), behalve in 2015 en 2018. Er zijn m.a.w. 10 meetpunten per boom beschikbaar en de dataset omspant een periode van 11 groeiseizoenen. Bijkomend werd in januari 2025 ook nog de mate van kroonvrijstand rond elke meetboom ingeschat in vijf klassen: 0%, <25%, <50%, <75% en <100%.
De gegevens werden op twee manieren verwerkt. In een eerste fase werden de ruwe omtreksmetingen gebruikt, zonder rekening te houden met verschillen in initiële grootte binnen en tussen de opstanden. Op deze gegevens werd een zogenaamde ‘Repeated Measures ANOVA’ toegepast om het effect van de QD-behandeling (ja versus neen) doorheen de tijd te analyseren. Daarnaast werden onze groeigegevens vergeleken met de gegevens uit de Opbrengsttabellen van Nederland (Jansen & Oosterbaan, 2018), meer bepaald met de omtreksgroeigegevens van de grondvlakmiddenbomenBoom met een diameter die overeenkomt met het berekende gemiddelde uit de tabellen voor de ‘sterke dunning’-behandeling én de hoogste boniteit (de boniteit of groeiplaatskwaliteit geeft de groeipotentie voor een bepaalde boomsoort op een bepaalde groeiplaats weer). Zodoende vergelijken we onze bomen met de snelst groeiende bomen uit de opbrengsttabellen.
Om beter rekening te kunnen houden met de initiële grootteverschillen, werden in een tweede fase de omtreksgegevens omgevormd naar Relatieve Groeisnelheden met de formule: ln(boomgrondvlakX+t/ boomgrondvlakX)/t met t het tijdsinterval (in jaren) tussen de opeenvolgende metingen. Daarnaast werd de QD-behandeling gekwantificeerd door de mate van kroonvrijstand in 2025 (≤ 50% versus ≥ 75%) als variabele te gebruiken in de analyses. Vervolgens werd een ‘General Linear Model’ gefit aan de gemiddelde Relatieve Groeisnelheid van de groeiseizoenen 2013 tot en met 2024 met ‘Meetlocatie’ en ‘Vrijstand’ als voorspellende variabelen. Ten slotte werd voor elke meetlocatie een aparte ‘Repeated Measures ANOVA’ uitgevoerd om het effect van ‘Vrijstand’ op de jaarlijkse Relatieve Groeisnelheid te begroten en om de impact van de droogtejaren 2019, 2020 en 2022 op de groei na te gaan. Deze drie jaren worden allen gekenmerkt door (erg) droge en warme lente- en/of zomerperiodes volgens de klimatologische overzichten van het KMI en de vraag stelt zich of QD-bomen anders reageren op deze droogte dan de referentiebomen?
![]() Eerste vrijstelling van QD-bomen in Den Eik (Laakdal) |
![]() Eerste vrijstelling van QD-bomen in Den Eik (Laakdal) |
![]() QD-boom van zwarte els in Hoefkens (Hulshout) |
![]() QD-boom van berk in Kamp C (Westerlo) |
Tabel 1: Overzicht van de onderzochte boomsoorten en locaties (zie ook De Haes 2014 voor meer info). De bodem- en bosleeftijdsgegevens werden opgezocht via Geopunt. Klik op de tabel om hem meer in detail te bekijken.
€: Enkel de hoofdserie wordt weergegeven, achtereenvolgens bestaande uit de textuurklasse (Z: zand, S: lemig zand en P: licht zandleem), de vochttrap (b: droog, c: matig droog en d: matig vochtig) en de profielontwikkeling (c: sterk gevlekte, verbrokkelde textuur B horzont, f: weinig duidelijke ijzer en/of humus B horizont en m: dikke antropogene humus A horizont). ON staat voor een opgehoogde bodem.
Tabel 2: Overzicht van de proefopzet met de aantallen QD- en referentiemeetbomen, de initiële omtrek van deze bomen in januari 2014 en het percentage bomen met een kroon die minstens 75% vrijstaat in 2025. Klik op de tabel om hem meer in detail te bekijken.
€: statistische vergelijking (d.m.v. One-way ANOVA) van de initiële omtrekken in januari 2014, met ns: niet significant; (*): p<0.1; *: p< 0.05; **: p <0.01 (meer sterretjes betekent een statistisch significanter verschil).
Resultaten & discussie
Figuur 1 en de bijhorende ‘Repeated Measures ANOVA’ tonen aan dat het verschil in omtrek tussen QD- en referentiebomen in bijna alle meetlocaties toeneemt met de tijd. Enkel in de locaties waar het initiële verschil in kroonvrijstand tussen QD- en referentiebomen bij aanleg van de proef in 2014 beperkt was (Duifhuizen en Kamp C), blijft het verschil tussen beide behandelingen min of meer gelijk.
De resultaten in Tabel 3 bevestigen deze patronen: de gemiddelde omtrekgroei van QD-bomen tussen 2013 en 2024 is 60% tot 150% hoger dan deze van de referentiebomen, behalve in Duifhuizen en Kamp C waar deze slechts 10 à 20% hoger is. Vergelijking met de opbrengsttabellen leert dat de groei van de referentiebomen vergelijkbaar is met de verwachte groei van de grondvlakmiddenbomen in de best groeiende Boniteit I-locaties (Tabel 3). We hebben dus te maken met goed groeiende opstanden. Dit is niet geheel onverwacht, gezien de vaak leemhoudende bodems met een redelijke vochtvoorziening en de landbouwvoorgeschiedenis op de meeste locaties (Tabel 1). De QD-behandeling slaagt er bovendien in om de omtrekgroei van deze reeds goed groeiende bomen quasi te verdubbelen t.o.v. de groei van de grondvlakmiddenbomen van de opbrengsttabellen (Tabel 3). Bij dit alles moet wel benadrukt worden dat de opbrengsttabellen de groei van de gemiddelde boom in de opstand rapporteren, terwijl onze dataset enkel de grotere, meest vitale bomen in de opstand omvat. De begrote groeirespons wordt dus misschien wat overschat, maar het staat buiten kijf dat de onderzochte QD-bomen zeer goed groeien. Specifiek voor zomereik kunnen onze resultaten ook vergeleken worden met de groei- en groeirespons van het QD-voorbeeldbos dat in de winter van 2016-2017 aangelegd werd in het ANB-domeinbos ‘De Hutte’ in Houthalen-Helchteren (zie de bijhorende Ecopedia-pagina voor meer info). De QD-bomen – die 20 jaar oud waren in 2016 – vertoonden er in de periode 2016-2023 een gemiddelde omtrekgroei van 2,5 cm per jaar, terwijl de klassiek gedunde toekomstbomen er 1,7 cm per jaar in omtrek groeiden. De eiken op de drogere zandbodems van ‘De Hutte’ groeien dus duidelijk trager dan deze in de percelen Tongelsbos en Abdij, maar niettemin zorgde het QD-beheer er ook voor een duidelijke groeiversnelling met 50%, vergelijkbaar met Tongelsbos.
De analyse van de gemiddelde Relatieve Groeisnelheid (Fig. 2) laat een nog betere onderlinge vergelijking tussen soorten en opstanden toe. De analyse van de gemiddelde Relatieve Groeisnelheid tussen 2013 en 2024 (Fig. 2) toont aan dat – afgezien van berk – de verschillen in groeisnelheid tussen de referentiebomen van de verschillende soorten over het algemeen niet erg groot zijn. Deze beperkte groeiverschillen zijn enigszins verrassend, want van soorten als winterlinde en zomereik zou verwacht worden dat deze trager groeien dan bv. zwarte els. Mogelijks worden de soortspecifieke groeiverschillen hier wat gemaskeerd door verschillen in groeiplaatskwaliteit. Het betreft hier immers geen gecontroleerd experiment waarbij alle soorten telkens op alle groeiplaatsen worden geplant, zodat een ondubbelzinnige vergelijking tussen soorten in ons geval onmogelijk is. Verder zien we ook een duidelijke groeirespons op de QD-behandeling in voorheen dichte opstanden waar de bomen op juiste moment werden vrijgesteld (grove den in Den Eik, winterlinde en zomereik in Tongelsbos, zomereik bij de Abdij en zwarte els bij Hoefkens) (Fig. 2). De beperkte respons van grove en Corsicaanse den in Duifhuizen kan verklaard worden door de open uitgangssituatie én het te laat dunnen van de bomen. Volgens Buysse (2014) zouden deze soorten immers op +/- 20-jarige leeftijd vrijgesteld moeten worden, terwijl de bomen in Duifhuizen al 29 jaar waren bij de QD-behandeling (cf. Tabel 1). Met name de open uitgangssituatie bij QD- en referentiebomen verklaart de beperkte respons van berk in Kamp C, want deze soort werd wel tijdig vrijgesteld op basis van Buysse (2014). Onze dataset liet niet toe om na te gaan hoe de bomen reageren op de graad van vrijstelling. Nu werd o.w.v. databeschikbaarheid noodgedwongen gewerkt met slechts twee vrijstellingsklassen (≤50% versus ≥75% kroonvrijstand), maar het zou interessant zijn om met meerdere klassen te kunnen werken om de vorm van de relatie tussen kroonvrijstand en groei beter in beeld te krijgen. Dergelijke relatie kan ons leren vanaf welk percentage kroonvrijstelling er geen duidelijke groeiresponsen meer waar te nemen zijn en of het volledig vrijstellen van de kroon wel steeds nodig is. Terreinobservaties door Bosgroep Zuiderkempen leerden bijvoorbeeld dat eik niet altijd goed reageert op een volledige vrijstelling.
De trendanalyse van de jaarlijkse relatieve groeisnelheden (Fig. 3) levert een aantal interessante inzichten op. In de oudste opstand (Duifhuizen) blijft de relatieve groeisnelheid +/- constant doorheen de tijd, terwijl deze in de andere, jongere opstanden duidelijk afneemt met de tijd. Dit patroon is het duidelijkst bij de vrijstaande bomen en suggereert dat in 2014 het culminatiepunt voor diametergroei reeds bereikt was bij de toen 10 tot 20 jaar oude bomen en dat ze in een fase terechtgekomen zijn waarbij de relatieve groei geleidelijk afneemt (zie bv. den Ouden et al. 2010 voor meer info over de groeidynamiek van bomen). Deze algemene trend wordt echter verstoord door de droogtejaren, met name in de loofboomopstanden. Opvallend hierbij is dat de effecten van droogte op de relatieve groeisnelheid zich vooral het jaar volgend op de droogteperiode manifesteren. Dit is heel duidelijk het geval bij zwarte els en winterlinde, maar ook bij de andere soorten (zomereik en berk) observeren we dit patroon. De groeiverstoring door droogte is minder uitgesproken in de twee naaldhoutopstanden (Duifhuizen en Den Eik) waar de relatieve groei relatief constant blijft. In de literatuur werd een vertraagde groeirespons op droogte reeds meermaals beschreven (zie o.a. Kannenberg et al., 2019; Vanhellemont et al., 2019 en Bose et al., 2024) en dit zowel bij ringporige als diffuusporige soorten (respectievelijk eik versus berk, els en linde in ons geval). In lijn met Kannenberg et al. (2019) was ook bij ons evenwel geen duidelijke vertraagde respons bij naaldbomen aanwezig. Een beperkte opbouw van reservestoffen en persistente schade aan de houtvaten (bij diffuusporige soorten) tijdens droogtejaren zijn mogelijke verklaringen voor de naijlende groeirespons op droogte. Deze doorwerkende effecten van droogte onderstrepen het belang van voldoende frequente natte jaren waarin bomen ‘even op adem’ kunnen komen. Het jaar 2024 was daar een goed voorbeeld van: met name de loofboomsoorten hebben duidelijk geprofiteerd van dit natte jaar om hun groei te herstellen (Fig. 3). Voorlopig was er nog geen duidelijk verschil in droogterespons tussen QD- en referentiebomen vast te stellen. Dit zou in de toekomst evenwel kunnen veranderen ten nadele van de QD-bomen indien de droogte- en hitteperiodes nog intenser en frequenter zouden worden. De QD-bomen staan immers volop in de zon waardoor het lokale microklimaat rond deze bomen minder gebufferd is en ze in de toekomst gevoeliger zouden kunnen worden aan droogte- en hittestress. Iets om op te volgen.
Tot slot laten onze analyses ook toe om – op voorzichtige wijze – projecties naar de toekomst te maken. Indien we een doeldiameter van 50 cm vooropstellen en veronderstellen dat de gemiddelde omtrekgroei van de QD-bomen uit Tabel 3 ook in de toekomst aangehouden zou worden, dan bereiken alle soorten deze doeldiameter op een leeftijd van +/- 50 jaar. Enkel bij grove den in Duifhuizen is 60 jaar nodig om de bedrijfstijd te bereiken. Gezien de geleidelijke groeivertraging én de impact van droogtejaren (cf. Fig. 4) zijn deze inschattingen vermoedelijk te optimistisch en zal de werkelijke bedrijfstijd voor de meeste soorten aanzienlijk hoger liggen; zeker indien de frequentie en intensiteit van droogtes nog zouden toenemen.
Figuur 1: Scatterplot van de omtreksevolutie (januari ’14 – januari ’25) van de QD-bomen (blauw) en referentiebomen (rood) in de acht meetlocaties. De trendlijn werd gefit met Loess-smoother. Onder de grafieken worden de resultaten van de Repeated Measures ANOVA weergegeven waarmee het effect van ‘Jaar’, ‘QD’ (QD- versus referentieboom) en de onderlinge interactie tussen beide variabelen getest werd (‘Jaar x QD’). ns: niet significant; (*): p<0.1; *: p< 0.05; **: p <0.01; ***: p<0.001 (meer sterretjes betekent een statistisch significanter verschil). Klik op de figuur om hem meer in detail te bekijken.
Tabel 3: Gemiddelde omtrekgroei (2013-2024; cm/jaar) van de QD- en referentiebomen, de gemiddelde omtrekgroei van even oude Boniteit I-bomen volgens de Opbrengstabellen van Jansen & Oosterbaan (2018) en de ratio’s tussen deze drie variabelen. De drie opstanden met een hoog aantal sterk vrijstaande referentiebomen in 2014 (zie Tabel 2) werden rood gemarkeerd. Klik op de tabel om hem meer in detail te bekijken.
€: gegevens voor het scenario ‘sterke dunning’ werden gebruikt, behalve voor zwarte els waarvoor enkel een ‘matige dunning’-scenario beschikbaar was. Voor winterlinde zijn geen tabellen beschikbaar.
Vrijstand: (*) – Meetlocatie: ns – Vrijstand x Meetlocatie: ***
Figuur 2: Gemiddelde Relatieve Groeisnelheid (2013-2024) van vrijstaande (≥75% kroonvrijstand in 2025; rode balken) en minder vrijstaande (≤50% kroonvrijstand in 2025; blauwe balken) bomen in de acht meetlocatiecombinaties. De Relatieve Groeisnelheid werd berekend als ln(boomgrondvlakjan. 2025/boomgrondvlakjan. 2014)/11. Onder de grafiek wordt het resultaat van het General Linear Model met ‘Vrijstand’ (≤ 50% versus ≥ 75%), ‘Meetlocatie‘ en hun interactie (‘Vrijstand x Meetlocatie’) weergegeven. ns: niet significant; (*): p<0.1; ***: p<0.001 (meer sterretjes betekent een statistisch significanter verschil). Klik op de figuur om hem meer in detail te bekijken.

Figuur 3: Jaarlijkse gemiddelde Relatieve Groeisnelheid van vrijstaande (≥75% kroonvrijstand in 2025; rode balken) en minder vrijstaande (≤50% kroonvrijstand in 2025; blauwe balken) bomen in de acht meetlocatiecombinaties. Onder de grafieken worden de resultaten van de Repeated Measures ANOVA weergegeven waarmee het effect van ‘Jaar’, ‘Vrijstand’ (≤ 50% versus ≥ 75%) hun onderlinge interactie (‘Jaar x Vrijstand’) werd getest. ns: niet significant; (*): p<0.1; *: p< 0.05; **: p <0.01; ***: p<0.001. De dikke horizontale lijn geeft de gemiddelde Relatieve Groeisnelheid over alle jaren en behandelingen heen weer. Droge jaren werden aangeduid met (‘Dr’). Klik op de figuur om hem meer in detail te bekijken.
Conclusies
Onze studie toont aan dat het toepassen van een QD-beheer – waarbij vitale, kwaliteitsvolle individuen op het juiste moment volledig worden vrijgesteld – effectief tot een sterke, persistente groeiversnelling kan leiden waardoor de beoogde doeldiameters voor deze bomen veel sneller bereikt kunnen worden. We vonden (nog) geen wezenlijke verschillen in respons tussen de bestudeerde boomsoorten, wat betekent dat het QD-beheer in principe breed kan toegepast worden. De sterke vrijstand van de QD-bomen is wel een aandachtspunt in het licht van het veranderende klimaat en bijgevolg zouden we adviseren om QD niet vlaktegewijs over de volledige opstand toe te passen, maar te beperken tot de subset van toekomstbomen die zich daarvoor het beste lenen (juiste leeftijd, topkwaliteit, etc.). Op die manier wordt vermeden dat het potentieel voor microklimatologische buffering door het kronendak te sterk wordt aangetast, maar kunnen een (beperkt) aantal goed geselecteerde individuen toch extra groeikansen krijgen.
Tot slot illustreert deze studie het potentieel en belang van een goede samenwerking tussen wetenschap en praktijk (cf. Verheyen et al., 2024). De Bosgroep Zuiderkempen heeft de proef op eigen initiatief geïnitieerd en opgevolgd naar aanleiding van kennisnoden die men had vanuit de praktijk. In een latere fase werden wetenschappers betrokken voor de data-analyse en rapportering. Daarbij dient wel de kanttekening gemaakt te worden dat de samenwerking idealiter bij opzet van de proef geïnitieerd zou geweest zijn, zodat de proef nog beter ontworpen had kunnen worden. Denk daarbij aan het feit dat de referentiebomen kleiner zijn dan de QD-bomen (Tabel 2) en dat deze laatste misschien best ook een klassiek toekomstbomen beheer zouden gekregen hebben i.p.v. een nulbeheer, zoals men o.a. in het ANB-domeinbos ‘De Hutte’ in Houthalen-Helchteren gedaan heeft (zie Ecopedia).
Dankwoord
Dank aan Wim Buysse voor zijn feedback op een eerdere versie van dit artikel.
Gelieve als volgt te citeren:
Kris Verheyen, Jef Mertens, Jan Wauters, Joran Mertens, Jan Seynaeve (2026) Groeidynamiek van QD-bomen in de Zuiderkempen: wat leren we na 11 jaar monitoring? Bosrevue 123a.
ISSN 2565-6953 – Bosrevue 123a
-
Referenties
Bose, A.K. et al. (2024). Revealing legacy effects of extreme droughts on tree growth of oaks across the Northern Hemisphere. Science of the Total Environment 926: 172049.
Buysse, W. (2014). Kwalificeren-Dimensioneren (QD). Flexibel natuurgericht bosbeheer binnen een strakke timing. KOBE-rapport van het Agentschap voor Natuur en Bos en Inverde.
De Haes, T. (2014). QD-beheer in het werkingsgebied van Bosgroep Zuiderkempen: impact van dimensionering op de groeiparameters van toekomstbomen. Eindwerk Agro-en Biotechnologie – Optie Milieubeheer, Thomas More.
Jansen, J.J & Oosterbaan, A. (redactie) (2018). Opbrengsttabellen Nederland 2018, 172 blz.
Kannenberg, S.A. et al. (2019). Drought legacies are dependent on water table depth, wood anatomy and drought timing across the eastern US. Ecology Letters 22: 119-127.
Van Lommel, H. & Seynaeve, J. (2014). Kloempen in de Kempen. Bosrevue 47a, p1-5
Vanhellemont, M. et al. (2019). Distinct growth responses to drought for oak and beech in temperate mixed forests. Science of the Total Environment 650: 3017-3026.
Verheyen, K. et al. (2024). Samenwerken aan natuurgebaseerde oplossingen: stap uit de ivoren toren en de werfkeet. Natuurfocus 23: 136-146.





